Cultureel erfgoed
Geschreven door Pricilla Motman
Weet wat je eet, een stukje geschiedenis. Dit stuk is geschreven door Diana Dubois, uitgever van onder meer Wat de Surinaamse pot schaft. De tekst is van haar; waar hieronder "ik" staat, is dat Diana.
———
Al in de eerste helft van de 17e eeuw kwamen er joodse kolonisten naar Suriname toe. Dit waren grotendeels joden van Spaans-Portugese origine, maar eind 17e eeuw telde Suriname ook rond de 10 Hoogduitse gezinnen.
Zij en hun nazaten maakten kennis met vissen als krobbia, anjoemara en trapoen. Dit waren (zijn) net als de walapa geschubde vissen. Een vereiste voor de joden, omdat hun geloof hen verbood ongeschubde vissen te eten. Ze werden geroosterd gegeten en met knoedels (deegballen) geserveerd, waartoe ook de Italiaanse draadknoedels vermicelli behoren. De knoedels dienden als hoofdgerecht, bijgerecht of verschenen gezoet als dessert op tafel. De samenstelling daarvan kon bestaan uit tarwemeel, aardappel of gestampte matses. In Suriname werd daar de groene kookbanaan en cassave aan toegevoegd. Enkele bekende gerechten die hieruit zijn voortgekomen zijn de Adompri-balletjes, Tajersoep met blomknoedels en Gritibana soep. Laatstgenoemde wordt vandaag de dag ook wel Adompri genoemd.
De schrijvers die zich verdiept hebben in de geschiedenis van de joden in Suriname hebben zelden voldoende oog gehad voor de culinaire details. Mede hierdoor denken veel mensen dat bovengenoemde gerechten lang geleden door Afrikaanse slaven naar Suriname zijn meegebracht. En ook dat deze, al dan niet aangepast aan de producten van het land, door hen via mondelinge overlevering zijn doorgegeven aan de volgende generaties en al eeuwenlang deel uitmaken van de Surinaams-creoolse keuken.
In werkelijkheid is het aantal gerechten dat zij aan de Surinaamse keuken hebben bijgedragen geringer dan tot nu toe wordt aangenomen. Dit komt aan het licht als de gerechten, kookmethoden en ingrediënten uit de Afrikaanse landen waarvan de tot slaaf gemaakte personen afkomstig waren naast die uit de keukens van de Sefardiem (Spaans-Portugese joden) en de Asjkenaziem (Duitse en Oost-Europese joden) elders ter wereld worden gelegd.
Dat de gerechten in beide keukens gekend worden, komt doordat de tot slaaf gemaakten die wegliepen van plantages die in het bezit waren van Hoogduitse en Spaans-Portugese joden een aantal grote stammen vormden. Enkele daarvan waren de Okanasi, Dyu, Oto, Pedi, Dikan en Saramaccaners. Zij vestigden zich diep in de binnenlanden en bleven daar de joodse tradities, rituelen en spijswetten handhaven. Veel van hun hedendaagse rituelen en culinaire gebruiken hebben dan ook hun oorsprong in het jodendom.
Griti bana (geraspte bananensoep)
2,5 l water, 1 droge vis, 250 gr soepvlees, 150 gr zoutvlees, 2 takjes selderij, 1 à 2 kleine zoete cassaves, 6 groene bananen, zwarte peper, nootmuskaat, 1 madam Janet peper, (1 uitje), (1 tomaat), 5 pimentkorrels (lontai), 1-2 lepels margarine.
Het zoutvlees in stukken snijden en tweemaal in vers water opkoken, om te ontzouten. Vlees en vis met kokend water opzetten. De gesneden ui, tomaat, soepgroente, pimentkorrels en de hele peper toevoegen en zachtjes laten trekken (plm. 1,5 uur). De vellen en graten van de vis verwijderen, de stukjes vis weer bij de bouillon doen, de peper eruit halen. De bananen en cassaves schillen en raspen. De margarine bij de geraspte massa doen en op smaak afmaken met zout, peper en nootmuskaat. Van de geraspte massa kleine balletjes vormen en één voor één in de bouillon doen. Daarbij opletten dat de soep blijft borrelen. De balletjes nog 30 min. laten doorkoken. Indien de soep te dik is, iets water erbij doen en weer even laten koken.
Wil je reageren, of zelf iets delen?
Naar de communityNalatenschapcommunity is een gratis plek voor verhalen, recepten, herinneringen en cultureel erfgoed. Ontmoet hier families en een community om mee te verbinden. Iedereen is welkom, waar je ook vandaan komt. Lees meer verhalen of kijk eens rond.