← Nalatenschapcommunity

Cultureel erfgoed

Weet wat je eet: gomma, en de koekjes van Annie Samson-Samuels uit 1941

Geschreven door Pricilla Motman

Gomma is hier bijna niet te krijgen. Wie ermee wil bakken neemt het mee uit Suriname, en dan meteen een paar kilo, want je weet niet wanneer je weer gaat.

Maar wat is gomma eigenlijk? En waarom kent bijna niemand het meer?

Wat het is

Gomma is het zetmeel van cassave, die bruine aardvrucht die van buiten op een grote winterpeen lijkt en van binnen spierwit is. Voordat maizena bestond, deed gomma in de Surinaamse keuken precies dat werk.

Rond 1825 kwam het in Suriname in gebruik, als vervanger van arrowroot. Alleen at niemand het toen nog. Afrikaanse wasvrouwen gebruikten het als stijfsel voor kleding, met wat kaarsvet erdoor voor de glans. Europese kolonisten smeerden het op de huid tegen de Rode hond. En een jaar of vijftien later stond het bij Nederlandse apothekers in de kast, aangeprezen tegen hoest en borstkwalen.

De inheemse bevolking kende het veel langer, en gebruikte het heel anders. De Karaïben maakten er balletjes van, samen met de giftige bladeren van de kunami-struik en verkoolde kalebasschil. Die gooiden ze in het water. De vissen die ervan aten raakten bedwelmd en waren zo te vangen.

Dat het uiteindelijk eten werd, hebben we te danken aan Surinaams-joodse vrouwen van Spaans-Portugese afkomst, samen met hun Afro-Surinaamse keukenhulpen. Zij maakten er pudding van, pap, vla, flensjes, cakes en koekjes. Die cakes bakten ze in grote aardewerken kommen die door inheemsen waren gemaakt, soms met achttien eieren erin.

Zelfs het woord komt bij hen vandaan: gomma van het Italiaanse goma, dat gom, lijm en rubber betekent.

En die Javaanse kroepoek dan, die toch ook van gomma is? Die kwam later. Pas in 1852 stuurde Anthonij Wildeboer cassavestekken vanuit Suriname naar Java.

De gomma koekjes, uit 1941

Dit zijn dezelfde koekjes die je tegenwoordig meestal maizena koekjes hoort noemen. Gomma was er eerder; toen maizena in de winkel kwam namen mensen dat, want dat was makkelijker te krijgen. Het koekje bleef hetzelfde.

Dit recept is niet van mij. Het is van Hanna Josephina Samson-Samuels, Annie (1905-1995). Zij zette het in 1941 in het Surinaams-joodse weekblad Teroenga. Zij noemde het Gomma-koek voor Pesach, maar het zijn gewoon koekjes.

2 eieren
500 gram gomma
250 gram boter
250 gram witte basterdsuiker (bij Surinaamse joden bekend als moesjoedoe)

Klop de suiker en de eieren samen. Voeg dan de boter en de gomma toe. Draai er balletjes van, leg ze op een met boter of olie ingesmeerde bakplaat, en druk er een figuurtje op. Bak ze in een zachte oven.

Voor een gewone oven van nu: 175 graden, 10 tot 12 minuten. Lopen ze uit tijdens het bakken, doe er dan twee afgestreken eetlepels bloem bij, of laat de balletjes eerst een half uur opstijven in de koelkast.

Vier ingrediënten. Meer had ze niet nodig.

Kom je niet aan gomma? Neem dan maizena, in dezelfde hoeveelheid.

Kent iemand van jullie gomma nog van vroeger, en wat maakten jullie ervan?

———

Met dank aan Diana Dubois voor het historisch onderzoek. Zij is uitgever van onder meer Wat de Surinaamse pot schaft. Dit stuk is in eigen woorden opgeschreven; de geschiedenis erachter is haar werk.

receptengrootoudersgeloof

Wil je reageren, of zelf iets delen?

Naar de community

Nalatenschapcommunity is een gratis plek voor verhalen, recepten, herinneringen en cultureel erfgoed. Ontmoet hier families en een community om mee te verbinden. Iedereen is welkom, waar je ook vandaan komt. Lees meer verhalen of kijk eens rond.